Kom je daar aanrijden in een rolstoel, het in gips gegoten linkerbeen stram vooruit, en kun je er niet door. Voor de hoofdingang van de afdeling chirurgie van de universiteitsklinieken van het Innsbrucks ziekenhuis is een rood-wit lint gespannen.
Dat om de fotografen en cameraploegen op afstand te houden bij de dagelijkse bezoeken van de Nederlandse koninklijke familie aan prins Friso. De toch al lastige gang naar het hospitaal is daarmee een soort hinderniskoers geworden voor de gewone patiënten en bezoekers.
Mensen aarzelen voor het lint: moeten ze omlopen, is het een afzetting, of kunnen ze er gewoon onderdoor piepen? Het valt niet altijd mee om dat te doen. Het ziekenhuispersoneel weet het inmiddels wel. Elke dag deze week rond twaalf uur wordt het lint uitgerold.
De ziekenhuisbewakers vegen de hal schoon – de pers wordt vriendelijk doch beslist gevraagd om zich buiten op te stellen. Maar tussendoor maar binnen koffie worden gehaald en kunnen de telefoons worden opgeladen.
Wanneer ook de Nederlandse beveiligers in beeld komen – er zijn er drie permanent gestationeerd in het ziekenhuis, de ploeg werd halverwege de week afgelost – weet iedereen dat de koningin Beatrix en prinses Mabel elk moment kunnen arriveren. De twee verdwijnen vervolgens zonder op of om te kijken binnen twintig seconden in het ziekenhuis.
Voor het uitstappen gaan de gezichten in de plooi en hetzelfde gebeurt bij vertrek. Halverwege de gang die in ‘Haus 8’ naar de liften voert, worden de ruggen gerecht en gaan de handen in elkaar, of gaat de hand om de schouder.
Steun zoeken bij elkaar voor het korte moment in de schijnwerpers – ’s avonds ook letterlijk, met de lampen van de televisie en het geflits van de camera’s. Het heeft iets onwerkelijks. Het enige geluid is het geklik van de fototoestellen. Niemand zegt of vraagt wat. Voor het dagelijks wachten voor de poort bestaat verder weinig belangstelling. Patiënten manoevreren ook rustig tussen de auto van de koningin en de beveiligers door als dat de kortste weg is om binnen te komen.
Een enkeling wil weten wat er aan de hand is. ,,Wat doen jullie hier?” vragen twee opgeschoten Turkse Oostenrijkers wanneer een televisieploeg de spullen aan het inpakken is en Máxima, Mabel en Willem-Alexander net zijn vertrokken. De cameraman geeft in zijn beste school-Duits antwoord. ,,Onze Prinz ist im Krankenhuis.” Prinz? Dat zegt ze niets, maar voor de camera willen ze nog wel even hun vingers opsteken.
Avondtoeristen zijn er ook. Een groepje vakantiegangers uit Brabant gaat na het eten even een blokje om en heeft het ziekenhuis in de looproute opgenomen. Een zoontje ligt met longontsteking in het zelfde ‘ziekenhuis als prins Friso’. Dat maakte zijn lot meteen een stuk draaglijker. Het wordt door het gekeuvel bijna nog gezellig voor de schuifdeuren.
In de stad, die ik eigenlijk alleen kende als overstapplaats voor reizen van en naar Lech, twee uur treinen verderop, wordt meegeleefd. Oostenrijkers die horen waarom je hier bent, beginnen meteen over Friso en zijn kansen. De kranten doen elke dag trouw verslag van elke ontwikkeling, ook als die er niet zijn. ,,Er zijn dit jaar heel veel lawines”, vertelt de hotelmanager. Friso is niet het enige slachtoffer, wil ze maar zeggen.
© RB Hans Jacobs