Voor prins Carlos Hugo en prinses Irene ging veertig jaar geleden een deur dicht. Voor prins Juan Carlos en zijn echtgenote prinses Sofia kreeg de toekomst eindelijk perspectief. De Spaanse dictator Francisco Franco stelde op 22 juli 1969 het Spaanse parlement zijn opvolger en erfgenaam voor. Een dag later legde Juan Carlos de eed af als 'Prins van Spanje' – een nieuw verzonnen titel.
Vanaf dat moment was hij voorbestemd voor de troon. Juan Carlos zou die na het overlijden van Franco zes jaar later ook bestijgen. De aanspraken van zijn 'rivaal' Carlos Hugo van Bourbon-Parma waren niet meteen van de baan. Maar de kans dat de in Frankrijk geboren troonpretendent nog in het koninklijk paleis terecht zou komen was wel miniem geworden.
In de voorgaande jaren had Franco – die in de monarchie die Spanje ook zonder koning was formeel nog steeds de dienst uitmaakte – de verschillende prinsen sluw tegen elkaar uitgespeeld. Behalve Juan Carlos en Carlos Hugo was er ook nog Juan Carlos' vader Don Juan, graaf van Barcelona.
Die had eigenlijk het meest recht op de troon, als eerste erfgenaam van Spanje's laatste koning Alfonso XIII. Maar Franco vond Don Juan te eigenzinnig en te weinig kneedbaar, in tegenstelling tot prins Juan Carlos. Die was op het moment van zijn aanstelling tot 'Prins van Spanje' 31 jaar.
Op verzoek van Franco was hij al op jonge leeftijd in Spanje komen wonen, weg van zijn in ballingschap levende ouders. Juan Carlos werd daarom ook gezien als marionet van Franco, een 'ééndagsvlieg' die het na de dood van de dictator in een democratisch Spanje niet lang zou uithouden. Juan Carlos bleek echter langer houdbaar: hij zit er nog steeds, terwijl Franco al bijna is vergeten.
© RB Hans Jacobs